Boek over het harde leven van de kaaisjouwers

0

Er was zelfs geen sprake van een onderbelichte geschiedenis. Het was gewoon niet belichte geschiedenis. Dus ging schrijver Frank Antonie van Alphen op zoek naar hun levensverhaal, de historie van de Nijmeegse kaaisjouwers. Hij vond nog verbazingwekkend veel verhalen en anekdotes over dit ruige volkje en schreef het boek ‘De Kaaisjouwers, een hard leven aan de Waal’. Dat wordt donderdag 7 juni gepresenteerd bij de opening van een gelijknamige tentoonstelling in het Nijmeegse museum De Stratemakerstoren.

Frank Antonie van Alphen belicht in boek onbekende kant van Nijmeegse haven

Het zullen er hooguit twintig tot dertig zijn geweest. Rond het interbellum losten en laadden ze schepen met de hand aan de Nijmeegse Waalkade. De kaaisjouwers hadden een moeilijk leven met hun gezinnen, omdat ze onder vaak armoedige omstandigheden in de Benedenstad, ook wel Onderstad genoemd, woonden. In de Nijmeegse achterafstraatjes huisden nietsnutten, verarmde welgestelden en noeste arbeiders; hoeren, muzikanten en spiritusdrinkers; sjouwers en slepers.
De leefomstandigheden in het doolhof van straatjes en gasjes, die de weg kwijtraakten in weer andere straatjes en gasjes, waren niet best. De Benedenstad was een stad in een stad waar de zon zoek raakte als je haar zelf niet bedacht. De Onderstad was een deel van Nijmegen maar ook weer niet.
De Bovenstad keek letterlijk en figuurlijk op de Onderstad neer. Want het was janhagel dat daar woonde. Maar het waren wel de kaaisjouwers die, tot de bouw van de Waalbrug in 1936, op hun rug de goederen de stad in brachten. Goederen die ze zichzelf vaak niet konden veroorloven.
De sjouwers stonden onder schippers en inwoners bekend als de Lange van Benthem, Rooie Jan, de Kluut, de Kiep, Sneetje en de Scheve Schoen. Na de Tweede Wereldoorlog werd hun werk door kranen overgenomen en verdwenen de kaaisjouwers langzaamaan uit beeld.
Van Alphen vertelt het verhaal van deze losarbeiders vaak vanuit het perspectief van een schipperszoon. Omdat het leven van de kaaisjouwers letterlijk in de buurt van het leven van zijn varende ouders en grootouders lag.

Een fragment uit ‘De Kaaisjouwers, een hard leven aan de Waal’.

Frans Thijsen (1922), bijnaam ‘Senne’, was handelaar in bloemen, groente en fruit en later chauffeur op een olietankwagen. Ook is hij melkboer geweest en bracht hij op de transportfiets melkbussen naar zijn vaste klanten. Thijsen heeft de sjouwers persoonlijk gekend. Volgens hem gingen de losarbeiders in olijke stemming, maar onder zware omstandigheden, het leven door. Maar of het werk nou zwaarder op de maag viel dan de ‘foezel’ die erna werd gedronken?
Frans Thijsen: “De Lange van Benthem was een hele beroemde. Als hij niet had gedronken was hij vriendelijk. De mensen in de Benedenstad leefden vrolijk en opgewekt. Velen zaten er aan de fles die ze eigenlijk niet konden betalen. Dan namen ze spiritus en vermengden die met water. Daar zaten ze dan aan te likken. Dat was gevaarlijk spul. Sommigen kregen een blauw gezicht als ze dat hadden gedronken, want de spiritus was blauw.” Het goedje werd ‘op smaak gebracht’ met suiker, vanillestokjes en eventueel sinaasappelen- of citroenschillen. “Ik begrijp niet dat ze dat werk zo lang konden volhouden,” zegt Thijsen. “Met zakken cement op de schouder en op de rug. Vier tot vijfhonderd zakken cement lagen er in zo’n schuit. Als het er niet meer waren. Die mensen hadden het zwaar te verduren en leefden van dag tot dag. Ze dachten alleen aan geld verdienen en de boel weer opmaken. Als er werk van twee schuiten was en er waren tien man voor nodig, dan werd het toch zo verdeeld dat iedereen aan de beurt kwam. Het was hier in Nijmegen niet zo druk met die schepen.” Als er niet genoeg werk voor iedereen werd aangeboden, gold als wet onder kaaisjouwers: allemaal werken of niemand werken.
Thijsen: “Ik herinner me nog hoe iemand aan de Waalkade in een ruim is doodgedrukt. Hij moest de hoeken met een bezem schoonmaken en dan kon de grijper die bij elkaar geveegde hoop zo pakken. De grijper heeft ‘m hartstikke dood tegen de kant gedrukt. Het was maar een heel klein kraantje.”

In de regel werden er een paar kaaisjouwers aangewezen om een goede prijs voor het lossen te onderhandelen. De gage werd dan gebaseerd op het gewicht van de zakken, de tonnage van het schip, het soort lading, het weer en de waterstand. En het gewicht van de zakken. Waren het kolen of was het graan dat eerst in zakken moest worden geschept om naar het pakhuis te worden gedragen? Of kon men de zakken cement of balen tabak meteen uit het ruim in een wagen laden?
Soms waren het niet de losarbeiders die het werk onderling verdeelden, maar werd dat gedaan door een speciaal daarvoor aangenomen walbaas. In één van de vele cafés op de Waalkade werden tussen schipper en bevrachter afspraken gemaakt. Daarna werd met de sjouwers onderhandeld. Er kwam eerst een flinke borrel of een halve liter bier aan te pas voordat de handjes op elkaar gingen.
Sjouwers dronken graag een ‘pot’, een limonadeglaasje waar tweeënhalve normale borrels in gingen. Of een ‘maatje’, een paar jenevertjes.
De kastelein schreef de drank op de lat. Betaald werd pas achteraf, als het schip leeg was. Het gebeurde ook dat de sjouwers een extra beloning werd beloofd als zij eerder klaar waren met lossen. Dat scheelde de schipper weer tijd.

Ook tijdens de werkzaamheden liepen de kaaisjouwers heen en weer naar de kroeg. Bij het lossen van een klein schip waarbij weersomstandigheden, waterstand en lading in het voordeel van de sjouwers waren, konden zij het met betrekkelijk weinig alcohol af. Wanneer zij echter een groot schip of meerdere kleine schepen achter elkaar moesten lossen en de weersomstandigheden tegenzaten, werden er vaak ontzaglijke hoeveelheden alcohol naar binnen gewerkt.
Hoe harder ze werkten, hoe meer ze dronken en hoe minder ze aten. En dat terwijl er in die omstandigheden méér van hun uithoudingsvermogen werd verlangd. De kaaisjouwers hielden zich op de been door drank, de motor om hun karwei tot een goed einde te brengen. Tenslotte moest er een ongelooflijke krachttoer worden verricht in het ruim en op de wal.
Met het vuil op het lichaam en stof in de kleren gingen zij weer naar het café als de klus geklaard was om het welverdiende loon in een flink glas om te zetten. Men trakteerde elkaar, met het ene na het andere rondje werd het loon behoorlijk aangesproken. Na het drinkgelag kon je sommigen op hun kop zetten. Maar er viel geen dubbeltje meer uit. Degenen die er nog het best vanaf kwamen, waren de kroegbazen.

Article bottom ad

Laat een reactie achter

Please enter your comment!
Please enter your name here

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.